Geschiedenis

100 jaar Aalmoezeniers bij defensie

In augustus 1914 moesten 203.000 dienstplichtigen opkomen ivm het uitbreken van WO I. De overheid vond dat daarbij geestelijke bijstand aanwezig moest zijn: ‘voor het naleven van godsdienstige en zedelijke verplichtingen door militairen’

Bij koninklijk besluit benoemt koningin Wilhelmina (zie hieronder) vier aalmoezeniers en acht veldpredikers. Sindsdien zijn er enkele honderden aalmoezeniers met de troepen meegegaan. Zij dienden in WO II, Indonesië, Korea, Libanon, Bosnië, Irak, Somalië, Afghanistan, Jordanië, Litouwen en in Mali.

 


 

Heden
Vandaag de dag is de dienst geestelijke verzorging 150 man sterk. Ook Imams, Rabbijnen, Pandits en Humanistisch raadslieden verlenen geestelijke bijstand aan soldaten en thuisfront. Op 27 november 2014 vierden zij gezamenlijk hun jubileum. 100 jaar GV bij de krijgsmacht. 100 jaar gaan waar de troepen gaan.

De koningin
Het begin van de moderne geestelijke verzorging bij de krijgsmacht ligt op 28 augustus1914. Die dag vaardigt koningin Wilhelmina het koninklijk besluit uit waarmee bij vier aalmoezeniers en acht veldpredikers benoemd worden om als geestelijk verzorger dienst te doen in het dan gemobiliseerde Nederlandse leger.

Eerste wereldoorlog
De dreiging van de Eerste Wereldoorlog speelt hierbij een belangrijke rol. Precies een maand daarvoor, op 28 juli, begon een van de grootste conflicten die de wereld heeft gekend met de Oostenrijks Hongaarse invasie van Servië. Niet lang daarna valt Duitsland de landen België, Luxemburg en Frankrijk binnen en volgt de Russische aanval op Duitsland. Geen wonder dat de schrik er goed inzat.

De Eerste Wereldoorlog was een reden voor de overheid om de geestelijke verzorging een vaste plek te geven binnen de krijgsmacht. Zij had in die tijd haar nut al bewezen. De kerken werkten uit eigen beweging aan het geestelijk welzijn van de jongens die onder de –toen niet al te soepele - krijgstucht waren gesteld. In veel garnizoensplaatsen kwamen Katholieke soldaten buiten diensttijd bij elkaar in een Militair Tehuis.
 


 

Jezelf zijn in het leger
Deze tehuizen waren een initiatief van de ‘Rooms Katholieke Militairen Verenigingen'. Zo'n tehuis werd bestuurd door een directeur die binnen de Katholieke traditie uiteraard priester was.Voor de protestantse militairen was er de ‘Nederlandsche Militaire Bond’ met Protestantse Militaire Tehuizen. Het beheer daarvan was in handen van ‘de huisvader’ zoals de toezichthouder werd genoemd. In de tehuizen was er ruimte voor bezinning, een gesprek en wat ontspanning. De jongens konden er even zichzelf zijn, een kop koffie drinken, een spelletje spelen of muziek maken.

Nieuw
Tot 1914 waren aalmoezenier en dominee op de kazerne niet welkom. De tehuizen en de begeleiding door geestelijken waren een particuliere aangelegenheid. Met het koninklijk besluit komt hier verandering in. De nieuw aangestelde aalmoezeniers en predikanten worden voor hun diensten betaald door de overheid. De moderne geestelijke verzorging bij de krijgsmacht is geboren.